Heeft de suburb nog wel architectuur nodig? / Maaskants 10.000 standaardhuizen

Voor wie zich wel een heeft afgevraagd waarom alle huizen in naoorlogse uitbreidingswijken uit de jaren ’50 en ’60 zo op elkaar lijken: ze lijken zo veel omdat veel ervan daadwerkelijk hetzelfde zijn. In de jaren ’50 was er een grote behoefte aan betaalbare woningen en om hierin te voorzien werden systemen ontwikkeld om in een continu proces gestandaardiseerde woningen te bouwen. Bouwvakkers trokken van bouwplaats naar bouwplaats om telkens met dezelfde middelen en dezelfde materialen hetzelfde ontwerp in elkaar te zetten.

Een van deze systemen was het ‘Pronto’ systeem van bouwbedrijf Van Vliet, waarmee architect Hugh Maaskant (1907-1977) een goedkope standaardwoning wist te ontwerpen die in 10 jaar tijd ongeveer 10.000 keer is gebouwd. -Een adembenemend aantal, zeker in de wetenschap dat het pronto-systeem slechts één van de systemen was die werd toegepast. Het is dan ook niet verwonderlijk dat standaardisatie van het ontwerp- en bouwproces de naoorlogse architectuurpraktijk op zijn kop zette…

 

Amerika

Dat standaardisatie het niveau van het complete woningontwerp zou gaan bereiken, kwam niet uit de lucht vallen. In Amerika bestonden reeds succesvolle gestandaardiseerde bouwsystemen voor suburbane woningen, die in het hele land werden toegepast. Dankzij de betrokkenheid van bekende architecten als Frank Lloyd Wright en Louis Sullivan kregen deze systemen ook in vakkringen bekendheid. Het kon dus niet anders dat Nederlandse architecten reeds voor de oorlog bekend waren met het fenomeen en het was wachten op het moment dat het zou worden opgepikt voor de Nederlandse markt.

Daarnaast was ook in Nederland al het nodige onderzoek naar bouwsystemen gedaan.  Maaskants compagnon Wim van Tijen was een autoriteit op het gebied van rationalisering in de woningbouw. Zijn uit beton, staal en glas vervaardigde Bergpolderflat in Rotterdam uit 1934  was de eerste galerijflat in Nederland en bevatte onder andere gestandaardiseerde, prefab houten puien. Het was voor Maaskant een kleine stap van de gerationaliseerde stapeling van zijn compagnon naar het ontwerpen van rijwoningen met het pronto-systeem.

 

Broodroof

Ondanks deze voorgeschiedenis zorgde de opkomst van de standaardwoningbouw voor een schok in de architectuurpraktijk. Veel architecten beschouwden het grootschalig doorkopiëren van een woningontwerp als broodroof. Elke kopie was immers één opdracht minder. Bovendien waren (en zijn) veel architecten huiverig om zich in te laten met commerciële partijen als ontwikkelaars en bouwbedrijven in de angst zich over te geven aan de commercie. Maaskant werd beschouwd als te commercieel, verdoezelaar van het vak.

Zelf maakte Maaskant zich niet al te druk over de betekenis van zijn daden. Voor een uniek ontwerp per woning of woonblok was begin jaren ’50 simpelweg geen geld en tijd. De wederopbouw brak klassieke wetten. Bovendien had Maaskant de wat cynische visie dat een maatschappij de woningen krijgt die het verdient. Als mensen het niet erg vinden om in een huis te wonen met dezelfde opbouw en uitstraling als duizenden anderen, omdat ze daarmee simpelweg meer huis krijgen voor hun geld, wie is de architect dan om alleen unica voor te stellen?

 

Standaardisatie

De trend in naoorlogse woningbouw (die zich overigens óók afspeelde in de markt voor scholen, fabrieken en kantoorgebouwen) staat in lijn met de ontwikkelingen in huishoudelijke artikelen, auto’s, kleding en andere gebruiksartikelen: zolang gelijkvormigheid samengaat met meer kwaliteit voor je geld, vinden mensen het niet erg dat hun product niet uniek is. Daarom domineren confectieketens als H&M en Zara de kledingmarkt, terwijl IKEA de handel in gestandaardiseerde woonartikelen zo ver heeft geperfectioneerd, dat het de stap aan het maken is naar het aanbieden van kant en klare IKEA huizen. Standaardisatie hóórt bij de moderne tijd.

Een groot nadeel van de seriematige productie van de jaren ’50 en ’60 was evenwel de eentonigheid. Als in een wijk alle huizen op elkaar lijken, ligt het gevaar op de loer dat mensen zich niet meer met hun huis vereenzelvigen. Dit probleem zou pas ná Maaskant opgelost worden, waarbij een standaard huis een niet-standaard gevel krijgt.

Vakinhoudelijk was Maaskant overigens niet bijzonder trots op zijn bijdrage aan de woningbouw. De projecten zijn nooit gepubliceerd en op zijn kantoor toonde de wand achter zijn bureau al zijn projecten, behalve de seriematige woningbouw. Voor het bureau was de gestandaardiseerde woningbouw voornamelijk de tak die geld in het laatje bracht. De sier maakte Maaskant met ander werk.

 

Seriebouwers en prestigebouwers

De opdeling van het werkgebied in seriebouw en prestigieuze projecten, is typerend voor de gehele naoorlogse architectuurpraktijk. Het voordeel van seriebouw is dat het de ontwerper relatief veel geld oplevert, want ook binnen het ontwerpproces kan veel worden doorgekopiëerd. Het nadeel is dat de ontwerper artistiek gebonden is aan de grenzen van het bouwsysteem waarin hij werkt. Zijn artistieke werkgebied beperkt zich vaak tot de gevel. Het werken aan prestigeprojecten geeft de architect meer bewegingsvrijheid en is uitdagender, maar het is tegelijk veel tijdsintensiever en levert dus minder op. Er kan dus gesteld worden dat architecten over het algemeen omgekeerd evenredig verdienen aan de bewegingsvrijheid in hun ontwerpproces. Het moge ten slotte ook duidelijk zijn dat Maaskant na 10.000 gestandaardiseerde woningen een klein fortuin bij elkaar had vergaard….

Anno 2013 zijn standaardsystemen in de woningbouw alom vertegenwoordigd. De laatst ontwikkelde grootschalige woningbouw, te vinden in de VINEX wijken kris-kras door het land, bestaat voornamelijk uit cataloguswoningen waarbij alleen de gevel nog per project is ontworpen. Architectuur is verworden tot een huls die eenvormigheid maskeert, een telkens ander sausje over dezelfde cake. Jammer natuurlijk, maar geef de bewoners en dus de ontwikkelaars, bouwbedrijven en architecten eens ongelijk. Meer huis voor je geld en dat kleine beetje uniciteit aan de buitengevel zodat je net je eigen voordeur nog terugvindt. De suburb heeft eigenlijk geen architectuur meer nodig.

Pepijn Bakker, november 2013

Volg hier de tweewekelijkse update van dit blog op twitter.

Klik hier voor meer woningbouwprojecten, en hier voor meer projecten uit de wederopbouwtijd.

—————————————-

Pepijn Bakker (1981) is regiocoördinator West van de Bond Nederlandse Architecten (BNA) en gastdocent bij masterproject ‘Studio Amsterdam’, faculty of architecture, TU Delft. Voorheen werkte hij onder andere bij architectenbureaus Koen van Velsen en MVRDV en was hij betrokken bij diverse onderzoeksprojecten, onder andere naar de ruimtelijke effecten van bevolkingskrimp. Klik hier voor meer informatie.

Deze weblog biedt een overzicht van Nederlandse architectuur en planning van de laatste 100 jaar. Het doel is het overbruggen van de kloof tussen hoe architecten en stedenbouwers enerzijds en het grote publiek anderzijds over de gebouwde omgeving praten en schrijven. Door architectuur vanuit de discipline voor een groot publiek te beschrijven, wordt bijgedragen aan een beter begrip over en weer en worden de architectuur- en stedenbouwpraktijk opnieuw als maatschappelijke disciplines gepositioneerd. Klik hier voor een uitgebreidere motivatie.

Advertenties

2 thoughts on “Heeft de suburb nog wel architectuur nodig? / Maaskants 10.000 standaardhuizen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s