Doorgeschoten postmoderniteit: het Groninger museum

Welk museumgebouw is interessant genoeg om hordes cultuurliefhebbers en toeristen naar het afgelegen Groningen te doen afreizen? –Voor deze vraag stelde museumdirecteur Frans Haks zich toen zijn instelling een miljoenengift ontving van de Gasunie. Zijn ‘Groninger museum’ was op dat moment een beschaafd museum met een collectie oude kunst en een grote afdeling Aziatisch porselein, gevestigd in een al even beschaafd 19e eeuws pand. Enkele tentoonstellingen onder Haks leiding hadden landelijke aandacht getrokken, maar het museum had zich nog niet als onmisbaar kunstinstituut weten te manifesteren. Dit moest met de bouw van het Groninger museum (1994) naar ontwerp van Alessandro Mendini (1931), Philippe Starck (1949) Michelle de Lucchi (1951) en het collectief Coop Himmelb(l)au anders worden.

…En anders werd het! Het nieuwe Groninger museum dat in 1994 werd geopend was de sensatie van de jaren ’90. Een gebouw dat in basisopzet, vormentaal, kleur en constructie zijn gelijke niet kent. Het is oogverblindend in zijn bonte  kleurenpalet en ongrijpbaar in vorm terwijl het op een prominente locatie midden in de Groningse binnenstad ligt. Het museum is als een kleurrijk gevederde fazant op een grijze akker, een exoot van ver. Het gebouw prikkelt de geest: wie komt erop om zoiets te ontwerpen, welke ideeën schuilen erachter, hoe kon dit überhaupt midden in Groningen worden gebouwd?

Terug naar Haks met zijn miljoenen van de Gasunie. Dankzij de gift was er voldoende budget om een splinternieuw museum te laten bouwen en Haks ging eind jaren ’80 op zoek naar een geschikte architect. Na een omzwerving, eerst in Nederland en later internationaal kwam hij uit bij de Italiaanse architect-theoreticus Alessandro Mendini. De museumdirecteur en architect vonden elkaar in hun postmodernistische visie op kunst en architectuur: sinds het in hun ogen duidelijk was geworden dat er geen allesoverheersende waarheid of een systeem bestaat, zijn alle kunstuitingen uit verschillende disciplines, tijdperken, landen enzovoorts aan elkaar gelijk en kan er naar hartenlust ‘gesampled’ worden. Hierbij was nadrukkelijk óók een rol weggelegd voor de architectuur van het museumgebouw. Als integraal onderdeel van de nieuwe collectie diende architectuur zich te verhouden tot de andere kunstschatten, zodat het geheel zou samensmelten tot één totaalkunstwerk.

De eerste reden dat het Groninger Museum er dus zo bijzonder uitziet, is omdat het niet zomaar een gebouw is met een functie, maar omdat het is ontworpen als kunstwerk en de architect zich nadrukkelijk een ander doel stelde dan een gemiddelde architect zou doen.

 

Maar er is meer: niet alleen waren alle disciplines gelijk aan elkaar, ook binnen de disciplines dienden verschillende stijlen, handschriften te worden gemixt tot één geheel. Daarom nodigde Mendini ‘gastontwerpers’ uit om delen van het museum te ontwerpen. De Italiaan Michele de Lucchi ontwierp het gedeelte voor de afdeling archeologie en geschiedenis, de Fransman Philippe Starck tekende het paviljoen voor kunstnijverheid,  het Oostenrijks-Amerikaanse duo Coop Himmelb(l)au ontwierp het gedeelte voor de collectie oude beeldende kunst terwijl Mendini zelf de entreepartij en ruimtes voor wisselende tentoonstellingen tekende. Door de gebouwdelen van verschillende signatuur direct naast en op elkaar te plaatsen, gaan ze letterlijk op in één geheel, terwijl de verschillende kleuren en vormen van de delen voor de bontgekleurdheid en grilligheid zorgen.

Nadat de grove lijnen van hun museumplan waren geschetst, volgde de discussie met de gemeente over de locatie. Omdat de gemeente óók had bijgedragen in de kosten voor de nieuwbouw, werd als eis gesteld dat het museum in het centrum van de stad diende te komen, zoals ook alle andere grote culturele voorzieningen in de binnenstad waren gerealiseerd. De voormalige zwaaikom, een verbreding in de gracht tussen het oude centrum en het 19e eeuwse station, werd als locatie aangewezen. Het museum zou daar als eiland in het water worden gerealiseerd. Een aanvullende eis was dat óók een voetgangers- en fietsersbrug die de stad met het station verbond diende te worden opgenomen in het ontwerp.

 

Zodoende ontstond het gebouwontwerp zoals het is gerealiseerd: een bontgekleurd museum in het water, bestaande uit naast en op elkaar gebouwde paviljoens met middendoor een voetgangers- en fietsersbrug. Een toren ten midden van de brug markeert de entree van het museum. Bezoekers dalen een trap af naar de ontvangstruimte. Vanaf hier zijn de verschillende gebouwdelen bereiken: de paviljoens van de Lucchi en Stack in het westen en die van Mendini en Coop Himmelb(l)au in het oosten. Tussen de ontvangstruimte en de paviljoens zijn ovale zalen voor tijdelijke exposities.

Gesteld kan worden dat aan het markante gebouw een al even markant gedachtegoed ten grondslag ligt. Het doet inmiddels, bijna twintig jaar na realisatie wat gedateerd aan. Nog steeds is de overheersende visie dat er geen waarheid of overkoepelend systeem in de kunst en architectuur bestaat, maar het is de vraag of dit een legitieme reden is om alle kunstvormen en –disciplines zomaar door elkaar te mixen. De expressieve deconstructivistische architectuur van Coop Himmelb(l)au bleek bijvoorbeeld onverenigbaar met de schilderijencollectie die bestemd was voor het paviljoen. Van lieverlee wordt dit gedeelte van het museum nu als extra ontvangstruimte gebruikt. Bovendien kan de vraag worden gesteld of architectuur een even vrije kunstvorm is als andere kunstvormen. Het Groninger museum diende al vroeg de eerste restauratiebeurt te ondergaan, een overmatige focus op de artistieke kant lijkt de aandacht voor technische mogelijkheden te hebben overstemd. Is het bijzondere van architectuur niet dat gebruik, technisch kunnen en artistieke expressie telkens weer worden verenigd in een gebouw, of zo je wilt een totaalwerk van materiaal, ruimte en (jawel!) gebruik?

Pepijn Bakker, juni 2013

Volg hier de tweewekelijkse update van dit blog op twitter.

Klik hier voor meer musea en expositiegebouwen, hier voor meer projecten uit de jaren ’90 en hier voor meer projecten in Groningen….

—————————————-

Volgende week staat met het Hilversumse Raadhuis (1931) van architect Willem Marinus Dudok (1884-1974)  weer een klassieker van de 20ste eeuwse Nederlandse architectuur centraal, die niet in deze reeks kán ontbreken. En met recht: de jarenlange betrokkenheid van Dudok bij de Hilversumse stadsontwikkeling werd bekroond met dit absolute hoogtepunt van het expressionisme in Nederland. Het gebouw verwierf zoveel faam en navolging, dat in Engeland zelfs een naam werd bedacht voor volgelingen van Dudoks stijl: a Dudokian. Hoe hoog kan je ster rijzen?

Tot volgende week!

—————————————-

Pepijn Bakker (1981) is regiocoördinator West van de Bond Nederlandse Architecten (BNA) en gastdocent bij masterproject ‘Studio Amsterdam’, faculty of architecture, TU Delft. Voorheen werkte hij onder andere bij architectenbureaus Koen van Velsen en MVRDV en was hij betrokken bij diverse onderzoeksprojecten, onder andere naar de ruimtelijke effecten van bevolkingskrimp. Klik hier voor meer informatie.

Deze weblog biedt een overzicht van Nederlandse architectuur en planning van de laatste 100 jaar. Het doel is het overbruggen van de kloof tussen hoe architecten en stedenbouwers enerzijds en het grote publiek anderzijds over de gebouwde omgeving praten en schrijven. Door architectuur vanuit de discipline voor een groot publiek te beschrijven, wordt bijgedragen aan een beter begrip over en weer en worden de architectuur- en stedenbouwpraktijk opnieuw als maatschappelijke disciplines gepositioneerd. Klik hier voor een uitgebreidere motivatie.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s